INTERVIEW in Trouw 15 augustus 2018, door Harriët Salm

Anne-Ruth Wertheim (83), dochter van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder, zat in een jappenkamp voor joden op West-Java.

'Ik ben altijd activistisch gebleven. Ik snap wat immigranten en asielzoekers meemaken'

Kindertekening in het kamp gemaakt door Anne-Ruth, zus Marijke en broer Hugo Wertheim © *

Anne-Ruth Wertheim © Werry Crone

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe zag uw leven er voor de oorlog uit?

“Ik had een fantastisch leven. Ik ben in Batavia geboren, zo heette Jakarta toen Indonesië nog een Nederlandse kolonie was, in 1934. Mijn vader was hoogleraar, mijn moeder werkte ook. Ik hecht eraan direct te zeggen: we waren met zo’n 300.000 Nederlanders en 60 miljoen Indonesiërs en wij waren de baas. Dat was verkeerd. Maar als jong kind weet je dat niet.

///

///

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kijkt u even naar deze foto. Hier zie je mij als vijfjarige op weg naar een feestje, alleen, achterin onze auto met Indonesische chauffeur en ook nog de huisknecht naast me als chaperonne.
“Zo leefde ik, met mijn jongere broer Hugo en oudere zus Marijke, echte rijkeluiskinderen. Hier zie je mij op een foto in mijn klas op de lagere school: alleen maar witte kindjes.

Besukischool, Batavia (Jakarta) 1941. Eerste klas met Juffrouw Lastdrager

Met Indonesische kinderen speelden we nooit. Een keer zag ik een paar kinderen in een kampong, waar de Indonesiërs woonden, wij kwamen daar niet. Ze liepen op blote voeten, dat leek mij fijn. Ik dacht toen: zij wél. Wij moesten sandalen aan. Ik herinner me de geweldige vakanties in de bergen. Ik sliep onder een deken die rook naar kamfer. Nog steeds hou ik van die geur.”

Wat gebeurde er met u in de oorlog?

“Toen ik vijf was betrapte ik mijn vader huilend aan de telefoon. Hij hoorde dat zijn ouders suïcide gepleegd hadden in Nederland op de dag van de capitulatie voor de Duitsers. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet. Zijn ouders voorvoelden wat de nazi’s van plan waren. Mijn ouders vertelden ons kinderen dat mijn grootouders ziek waren geworden, hoor, maar als kind voelde je hun pijn.
“Jood zijn speelde in ons gezin geen rol. Mijn ouders waren niet gelovig. Toen de Japanse dreiging toenam eind 1941 hebben mijn ouders ons naar een theeplantage in de bergen gebracht, bang voor bombardementen op Batavia.
“We gingen naar een Hollandse planter die goed lag bij de lokale bevolking. Mijn ouders vreesden dus toen al dat met de komst van de Japanners de Indonesiërs zich tegen de Hollanders zouden kunnen keren. Daarom gingen we speciaal naar deze man.
“Toen de Japanners de strijd wonnen begin 1942, zijn we terug naar ons huis in Batavia gegaan, mijn vader was toen al opgepakt en afgevoerd, we wisten niet waarheen. Ik heb hem 3,5 jaar niet gezien. De school was dicht, mijn moeder gaf ons les. Ik leerde wat geheimhouding was, want je mocht er niemand over vertellen, lesgeven was verboden. In 1943 kwam het bevel dat we het huis uit moesten, naar vrouwenkamp Kramat in een afgezet deel van de oude stad. Moeilijk vond ik het om mijn poppen achter te laten. Ik was acht jaar.

Op appèl staan en buigen, tekening in het kamp gemaakt door Anne-Ruth, Marijke en Hugo Wertheim © *

“De eerste tijd ging het best redelijk in dat kamp, we woonden in een gewoon huis, maar dan wel met tientallen gezinnen op een hoop. We speelden de hele dag. Mijn moeder had kleurpotloden mee en papier. De potloden werden stompjes, schoenen gingen stuk, we liepen op blote voeten.
“In september 1944 hoorden we dat iedereen met Joods bloed zich moest melden. Mijn moeder legde ons uit dat wij dat waren. De Japanners waren bondgenoten van de nazi’s, daar kwam dat vandaan. Mijn moeder stond voor een verschrikkelijk dilemma. Als ze zou zeggen dat zij niet-Joods was en haar kinderen wel, dan zouden we misschien gescheiden worden. Ze kon het ook verzwijgen, Wertheim was wel een Joodse naam maar de Japanners hadden dat vermoedelijk niet door. Maar stel dat een van de andere Hollanders in een ruzie – er was onderling in deze omstandigheden best snel ruzie – het zou verklappen? En wat als mijn vader zich nu wel meldde, dan zou het uitkomen en ze wist niet waar mijn vader was. Als kind voel je dat er iets heel erg mis is. Mijn moeder was in die tijd ook nog zwaar ziek, ze lag in het kamphospitaal, maar ze vertelde ons wel over wat er speelde. Wij werden door andere Hollandse gevangenen opgevangen.

Onze slaaphoek op de brits
Tekening in het kamp gemaakt door Marijke en Anne-Ruth Wertheim

“Ik was ook bang voor de straffen van de Japanners, ik heb vreselijk wrede dingen gezien. Eén voorbeeld. Een meisje dat iets misdaan had, moest urenlang een kist boven haar hoofd vasthouden. Ze kreeg blauwe armen.

“Uiteindelijk besloot mijn moeder te zeggen dat zij ook Joods was. En dus moesten we samen naar een apart kamp in een oude jeugdgevangenis in het stadje Tangerang. Een hete barre tocht met een dichte trein bracht ons. Het was een enorme verslechtering, ik was toen net tien jaar. In een zaal met 84 mensen in twee lagen we boven elkaar op britsen. Onder begeleiding van soldaten met geweren moesten we corvee doen, werken in een moestuin bijvoorbeeld. De wc’s waren gaten in de grond, er was veel diarree, de poep liep over de stenen, je blote voeten kwamen er onder te zitten, die veegde je dan maar een beetje af, zo over de grond, voor je op je brits ging. Het stonk er verschrikkelijk.
"Dat hele kamp verhuisde na drie maanden naar weer een ander: Adek, niet veel beter dan het vorige. Ik herinner me van de laatste maanden van dat kamp: honger. Hoe je maag pijn deed. We hadden het aldoor over eten, komt het al, zal het vandaag wat meer zijn? Soms kwam er een dag gewoon niets.
“Japan capituleerde op 15 augustus, maar wij hoorden dat pas op 24 augustus. We zijn bevrijd door een regiment Brits-Indische Gurkha’s. Er kwam een bijeenkomst voor iedereen, ik herinner me dat het Wilhelmus werd gezongen, ik was ontroerd. Mijn vader vond ons niet veel later in het kamp, hij kwam aan op een gammele fiets, op slippers, ik herkende hem meteen. Hij had in een mannenkamp gezeten. Pas na weken vond hij een nieuw huis voor ons in Batavia, ons oude huis was tot en met de elektriciteitsdraden leeggehaald.”

Wat betekenden die oorlogservaringen voor uw verdere leven?

“De Indonesiërs woonden eerst weer in de kampongs en wij in mooie huizen. Tegelijk barstte de Indonesische onafhankelijkheidstrijd uit. Er werd veel gevochten, mijn broer vond zelfs lege hulzen in onze tuin. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat Indonesië onafhankelijk moest worden, geen populair standpunt onder andere Hollanders, maar ze namen de tijd het ons heel goed uit te leggen. Het werk met studenten, deels van Indonesische afkomst, had mijn vader doen inzien hoe fout het kolonialisme was. Begin 1946 nam mijn vader verlof en gingen we naar Nederland.
“Ik ging eerst naar de overbruggingsschool in Leiden. We werden daar nageroepen door Leidse kinderen die jaloers waren dat repatrianten uit Indië dubbele voedselbonnen kregen: Hé, ga terug naar je apenland! Wij riepen terug: Leidse glibbers!
“Mijn vader werd hoogleraar in Amsterdam, ik ging daar naar de middelbare school. Mijn ouders waren razend over de politionele acties, hun standpunt was algemeen bekend. Ik werd daar als kind op school op aangekeken, hoor, dat lag heel gevoelig, maar ik was het met hen eens.
“Na mijn schooltijd studeerde ik biologie. Ik trouwde jong, kreeg drie dochters en leefde met mijn man in Wageningen, waar ik lesgaf en aan onderwijsvernieuwing werkte. Ik had als kampkind ervaren hoe zelfstandig kinderen al vroeg kunnen zijn en vond het oude schoolse leren niet goed. Ik wilde leerlingen meer zelf laten ontdekken, met projecten werken.
“Na dertig jaar ben ik gescheiden, een moeilijke tijd, waarin ik ook in therapie ging. Een kamptrauma heb ik niet, maar ik snapte wel opeens de soms onverwachte heftigheid van mijn emoties. Die komen door een verleden waarin je geen controle had over wat er gebeurde.
“Ik woon nu met een nieuwe partner in Amsterdam. Ik heb een boekje gemaakt over mijn kindertijd in een jappenkamp, het heet ‘De gans eet het brood van de eenden op’, met onze kindertekeningen erin, dat is deze zomer eindelijk in Japan uitgegeven. Heel erg leuk.
“Ik ben altijd activistisch gebleven. Ik snap door mijn kampervaringen, denk ik, wat immigranten en asielzoekers meemaken. Nooit weten waar je aan toe bent, beter niet over je verleden praten, omdat je anders misschien gevaar loopt, dat is slecht voor een mens. Ik schrijf stukken tegen racisme op joop.nl en in kranten en ik verspreid ze via Facebook. Zo wil ik blijven bijdragen aan een betere wereld.”
https://www.trouw.nl/samenleving/wrede-japanners-koude-nederlanders-twee-verhalen-over-de-bezetting-van-nederlands-indie-en-wat-daarna-kwam~a25e4e37/

Geplaatst in Interviews, Nieuws.