Onverklaarbare geluiden drongen ons Jappenkamp binnen
De Proclamatie van de Republiek Indonesia op 17 augustus 1945

Door: Anne-Ruth Wertheim

In dit artikel beschrijf ik hoe onze familie in de buurt was toen op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid werd geproclameerd. Mijn vader probeerde de Nederlandse kolonialen ervan te weerhouden de goede mogelijkheden te verkwanselen die zij toen nog hadden om een vreedzaam proces op gang te brengen in de richting van een gelijkwaardig partnerschap tussen Nederland en de Indonesische Republiek in opbouw, in plaats van de beide landen te storten in twee bloedige koloniale oorlogen.
Dit artikel is in het Indonesisch verschenen op in het interessante weekblad ‘’Historia’’, dat werd opgericht en gemaakt wordt door jonge Indonesische historici die bezig zijn de geschiedenis van hun land te herschrijven na de dictatuur van generaal Soeharto, die de media en ook de hele wetenschap in een ijzeren greep hield http://historia.id/modern/suara-dari-masa-pancaroba/.
Van dit artikel verscheen een kortere versie in de online versie van De Groene Amsterdammer: https://www.groene.nl/artikel/onverklaarbare-geluiden-drongen-ons-jappenkamp-binnen

De tekst van de Proclamatie

De tekst van de Proclamatie

De Proclamatie van de Republiek Indonesia op 17 augustus 1945 bestond uit het voorlezen van enkele zinnen, geschreven op een papiertje. Hiermee verklaarde een groepje opstandige inwoners van de Indonesische archipel hun land - eeuwenlang gekoloniseerd door Nederland - onafhankelijk. Vervolgens hebben de Nederlandse gezagsdragers tot in het absurde geprobeerd de betekenis van deze gebeurtenis te ontkennen en daar zelfs twee bloedige koloniale oorlogen voor over gehad.

De laatste eindigde op 27 december 1949 met de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië. Zelfs daarna nog volhardde Nederland decennia lang in die ontkenning. De voortekenen waren al zichtbaar in de eerste maanden na de Proclamatie. In die chaotische tijd was onze familie dicht in de buurt en deed onze vader een paar moeizame pogingen om de ontwikkelingen ten goede te keren.

Einde comfortabel koloniaal leventje
Onlangs bezocht mijn broer Hugo Wertheim ons geboorteland Indonesië. Voor hem was dat voor het eerst sinds ons gezin daar in 1946 was vertrokken - mijn zus en ik gingen al eerder terug met kinderen en kleinkinderen. Wij werden er alle drie geboren; mijn zus Marijke in 1933, ik in 1934 en Hugo in 1936. Wij leidden er ons heerlijke koloniale leventje, tot in 1942 het Japanse leger binnenviel en alles op zijn kop zette. De jaren die volgden, brachten we door in wat 'Jappenkampen' zijn gaan heten - wij met onze moeder in een vrouwenkamp en onze vader in een mannenkamp. We wisten al die jaren niet waar hij was en of hij nog leefde.

De nostalgische bezoeken die mijn zus en ik heel veel later aan Indonesië brachten, voerden ons langs het Tjikini ziekenhuis waar we geboren zijn, onze oude basisschool, de huizen waarin we gewoond hebben en twee van de drie Jappenkampen. Ons laatste kamp, ADEK in Jakarta, sloegen wij over, omdat we wisten dat het niet meer bestond, het was in 1989 afgebrand en vervangen door een woonwijk. Maar Hugo besloot er toch te gaan kijken en dat had een speciale reden. Hij had de kaart van het oude Batavia vergeleken met die van het tegenwoordige Jakarta en gezien dat zich vlakbij de plek van het kamp nu een "Jalan [=straat] Proklamasi" bevindt en ook een Proklamasi Park.

Nadat Nederlands-Indië zich op 8 maart 1942 had overgegeven, bezetten Japanse troepen het uitgestrekte eilandenrijk en zorgden er meteen voor geen last meer te hebben van degenen die tot dan toe de macht uitoefenden. Vrijwel alle Nederlanders werden achter slot en grendel gezet in honderden kampen over de hele archipel. We leden honger en gebrek en werden bewaakt door Indonesiërs onder Japans bevel die ons vanuit wachttorens dag en nacht onder schot hielden. Niet dat ontsnappen zin zou hebben gehad, met onze witte huid zouden we onmiddellijk opvallen tussen de Indonesiërs, Indo-Europeanen, Chinezen en Japanners. En van de bevolking hoefden we niet te verwachten dat zij veel risico zouden willen lopen voor hun voormalige overheersers.

Ligging van het Adekkamp t.o.v. de Proclamatie plaats.

Ligging van het Adekkamp t.o.v. de Proclamatie plaats.

Er hangt iets in de lucht
Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan voor de geallieerden. Het kamp ADEK, waarin wij onze bevrijding meemaakten, lag in het Zuidoosten van Batavia: een verzameling gebouwen omgeven door een hoge, dubbele omheining. Het was gebouwd voor koelies, arbeiders die waren geworven voor de tabaksplantages op Sumatra. Over hoe en met z'n hoevelen zij er toen woonden, hoeven we ons geen illusies te maken. Hoe wij er woonden, herinneren we ons maar al te goed. We waren met 2.500 vrouwen en kinderen, per zaal zo’n honderd. Op de houten britsen langs de wanden had ieder een slaapplaats van vijftig cm breedte. De laatste maanden in ADEK waren zwaar. Op 31 juli 1945 moesten we zeven uur in de tropenzon staan, omdat Indonesische bewakers waren ontsnapt in kleren van onze kampgenoten. De Japanners sloegen ze voor onze ogen tot bloedens toe om uit hen te krijgen met wie van ons zij die kleren hadden geruild voor eten - en dat lukte uiteindelijk. Hadden we toen maar geweten dat onze bevrijding zo dichtbij was.

Op 15 augustus 1945 schreef mijn moeder in haar dagboek:
15 augustus 1945
[...] 's Nachts niet kunnen slapen. Ik besef nu dat honger gek kan maken.[...] Midden in de nacht komt Saar op onze kollong [=brits] en zegt:[…] 't is vrede!' 'Toe, schei uit', we kennen die praatjes nu wel.

17 augustus 1945
 Ineens van alles dubbele porties. Ongelooflijk! Er hangt wat in de lucht. 's Avonds ontzaglijk veel lawaai buiten het kamp. Of er kermis is. En telkens harde stemmen door de loudspeakers. Wat zou dat zijn? 'Och, het is een inlands feest', zeggen mijn kampgenoten. Nee, [...] inlandse feesten zijn over het algemeen naar ons idee juist erg stil. Ik wil horen wat er gezegd wordt. Ben ’s avonds naar het gedèk [=de omheining] gegaan en heb lang staan luisteren, maar het was toch te ver, ik kon het niet verstaan. Maar dat er iets bijzonders aan de gang is, geloof ik vast.

Wat mijn moeder hier beschrijft, is intrigerend. We hebben nooit bewijs gevonden dat ook andere vrouwen uit ADEK deze stemmen hadden gehoord. Onze moeder verstond, sprak en schreef uitstekend Indonesisch en dat gold lang niet voor iedereen in het oude Indië. De meesten spraken wat 'Pasar Maleis' [pasar = markt] om de Indonesische bedienden te kunnen dirigeren en boodschappen te doen bij Indonesische en Chinese neringdoenden, maar daar bleef het zo'n beetje bij. Zij heeft daardoor ook heel wat vrouwen kunnen helpen bij het schrijven van de briefkaarten met 25 Indonesische woorden die twee keer per jaar mochten worden verstuurd naar de mannenkampen.

Soekarno en Hatta
Zoals intussen bekend is, verklaarde het Indonesische volk zich twee dagen na de Japanse overgave, op 17 augustus 1945, onafhankelijk van Nederland.

Dat deed het bij monde van twee van hun voormannen, Soekarno en Hatta. Maar net zo min als wij iets te horen hadden gekregen over de capitulatie van Japan, hoorden we nu iets over deze Proclamatie.

Het dagboek van onze moeder gaat verder:

22 augustus 1945


Opeens geen ochtendappèl meer. We hoeven niet meer te buigen. Het lijkt wel een droom.


24 augustus 1945

's Avonds worden we bijeengeroepen in de pendoppo [=overdekte ruimte], het hele kamp. [...] De keizer Tenno Heika van Nippon is zó edelmoedig: om verder bloedvergieten te voorkomen, heeft hij de oorlog beëindigd. Onze behuizing in de kampen is niet altijd   geweest zoals hij het graag had gewild, maar…

[…] We luisterden stil tot het uit was, een lange rede, we gingen stil naar onze zalen [...]
[…] We horen dat we nog een poos in de kampen moeten blijven. Onze commandante wilde de Hollandse vlag hijsen, maar dat mocht niet. 'De bevolking is niet te vertrouwen', wordt er gezegd. Hoe stiller we ons houden, hoe beter. Is dat nu vrede?En waar blijven onze mannen? Leven ze nog?

30 augustus 1945

Eindelijk berichten van het Rode Kruis. Goddank, Wim, onze man en vader, leeft! Maar de man van Ans is dood, ook die van Mia, ook die van Judith. 0h, wat een ontzetting allemaal.[...] Hoe kunnen we nu feestvieren?
En we moeten in het kamp blijven. Onder bescherming van de Japanners [...] ze zijn plotseling van vijand tot beschermer en vriend geworden. [...]

31 augustus 1945

[...] We lezen in een Maleise krant, die eindelijk is binnengekomen, dat Soekarno en Hatta op 17 augustus een Indonesische Republiek hebben uitgeroepen. De meesten van ons maakten zich alleen maar boos of vrolijk over dit 'belachelijk gedoe': 'Straks zullen onze mannen daar wel gauw een einde aan maken', zeggen ze. Dát was dus de stem door de loudspeakers op die avond van de 17de augustus geweest. Dát was dus het 'inlandse feest' waaraan geen aandacht werd geschonken!

Historische gebeurtenis
Om tien uur die ochtend van de 17e augustus 1945 stonden Soekarno en Hatta met een groepje medestanders op de voorgalerij van het woonhuis van Soekarno. In de voortuin was een bamboestok geplant met daaraan een rood/witte vlag - het verboden symbool van de onafhankelijkheid - die de nacht tevoren haastig in elkaar was genaaid.

Voorlezing van de Proclamatie tekst

Voorlezing van de Proclamatie tekst

Soekarno las met Hatta aan zijn zijde een korte verklaring voor van een papiertje. Dit papiertje is bewaard gebleven, net als de foto's die toen zijn gemaakt.

Opmerkzaam gemaakt door de nabijheid van de Proklamasi straat bij de plek waar hij het ADEK kamp situeerde, zocht mijn broer Hugo verder in de Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië, 1942-1945. Het kamp had gelegen tussen de Sluisweg en de Van der Houtlaan, tegenwoordig Jalan Tambak en Jalan Bonang. Hij ging er met zijn gezin kijken en aan de overkant van de Jalan Bonang vonden ze het Proklamasi Park met de vele gedenktekens! Zie de kaart.


Het huis van Soekarno dat intussen is afgebroken, stond middenin wat nu het Proklamasi Park is en dus op korte afstand van de omheining van ADEK waarachter wij toen gevangen zaten. Het kan dus niet anders of de stemmen uit de luidsprekers die mijn moeder die avond opving, hadden te maken met deze historische gebeurtenis. Maar wat kan ze nu precies gehoord hebben?

Soekarno en Hatta hoorden tot de weinige Indonesiërs in Nederlands Indië die de kans hadden gekregen een universitaire studie te volgen. Soekarno (1901-1970) was ingenieur aan de Technische Hogeschool van Bandoeng en Mohammed Hatta (1902-1980) studeerde economie aan de Handelshogeschool van Rotterdam. Beiden hebben hun vrijheidsstreven moeten bekopen met jarenlange gevangenisstraffen en verbanning door het koloniale bewind - het beproefde middel van machthebbers om mensen van wie ze last hebben op te bergen, precies zoals ook wij hadden moeten ervaren.

Onafhankelijkheidsstrijders
Soekarno werd in december 1929 gearresteerd wegens staatsvijandelijke en radicale, nationalistische ideeën en moest op 28 augustus 1930 verschijnen voor de Landraad. Dat was op zichzelf al vernederend, want Landraden waren, anders dan de gewone rechtbanken voor de Europeanen, bestemd voor de berechting van Indonesiërs, die Inlanders werden genoemd. Ze boden daarmee vergeleken veel minder waarborgen voor een deugdelijke rechtsgang. In zijn cel schreef hij zijn beroemd geworden Pleitrede ‘Indonesië klaagt aan’, die hij voorlas aan het eind van zijn proces.

Zo zag omstreeks 1910 een zitting van de Landraad er uit

Zo zag omstreeks 1910 een zitting van de Landraad er uit

Uit het Slotwoord van Soekarno:
Edelachtbare Heeren Rechters, aan U is thans het woord! [...] Wij wachten Uw uitspraak, die ongetwijfeld rekening zal houden met hetgeen wij hier uiteengezet hebben. Wij voelen ons niet schuldig [...] Wij verwachten en hopen derhalve op een vrijspraak.
[...] Maar, indien gij ons ten slotte toch schuldig zult bevinden, [...] indien wij toch onzen lijdensweg zullen moeten voortzetten in de gevangenissen, het zij zoo. [...] moge Iboe Indonesia (=Moeder Indonesia) ons lot als offer [...] aanvaarden. Moge zij het aanvaarden als mooie en welriekende bloemen, en gebruiken om haar prachtige haarwrong te sieren. Want onze ziel is standvastig, onze ziel zegt ons, dat al hetgeen wij gedaan hebben onze plicht was.
[...] Geen driehonderd, geen duizend jaar kunnen het recht van Indonesia en het Indonesische volk op die vrijheid vernietigen. Om dit recht te herkrijgen zijn wij bereid alle moeilijkheid en alle bitterheid, die dit land voor het verwerven ervan moet ondergaan, mede te dragen. Wij zijn elk oogenblik bereid om het lijden, dat Iboe Indonesia van ons vraagt, te ondergaan.[...] Een vrijspraak zal het Indonesische volk verheugen, en een veroordeeling zal het bedroeven. [...] wij bereiden ons voor, om uw uitspraak te hooren.



Op 21 december 1930 volgde de uitspraak: vier jaar gevangenisstraf, waarvan hij er twee heeft moeten uitzitten. Maar al in 1933 werd hij opnieuw van zijn vrijheid beroofd en deze keer zonder vorm van proces, eerst verbannen naar Flores en vervolgens naar West Sumatra, waar hij in 1942 door de Japanners werd bevrijd. Ook Mohammed Hatta schreef een tekst die een klassieker werd: ‘Indonesië Vrij’. Hij werd vanaf 1934 eerst opgesloten in het beruchte strafkamp Boven-Digoul op Nieuw-Guinea, dat met opzet middenin het ondoordringbare oerwoud was gebouwd waar het wemelde van de malariamuggen. Later, tot 1940, werd Hatta verbannen naar de afgelegen Banda-eilanden.

Wim en Hetty Wertheim op hun eerste standplaats op Zuid Sumatra, 1931

Wim en Hetty Wertheim op hun eerste standplaats op Zuid Sumatra, 1931

Ontwikkelingen in het denken van onze ouders
Onze ouders waren, nadat ze in 1931 in Indië aankwamen, tot op zekere hoogte meegegaan in de aanvaarding van de koloniale verhoudingen. Tot op zekere hoogte, omdat zij beiden een sterk rechtvaardigheidsgevoel hadden en niet blind waren voor wat ze om zich heen waarnamen. In hun memoires beschrijven ze hoe ze, opgegroeid in politiek rechtse gezinnen, begonnen te twijfelen aan zowel de standenmaatschappij als aan de bevoorrechte positie van mannen daarbinnen. Bij het gouden jubileum in 1929 van de promotie van Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke Nederlandse arts, traden ze samen op, zij zong en hij begeleide haar op de piano. Maar in hun kringen was men nog zo overtuigd van de redelijkheid van de blanke overheersing over de gekleurde volkeren, dat twijfelen daaraan nog te veel gevraagd was. Ze waren als onervaren nieuwkomers op de boot naar Indië dan ook een makkelijke prooi voor de indoctrinatie door terugkerende verlofgangers die het weten konden, over stelende Indonesische bedienden en de noodzaak afstand te bewaren. Toen ze bij aankomst in Tantjong Priok, de haven van Batavia verwelkomd werden door een oude oom die daar getrouwd was met een Indo Europese, betrapte mijn moeder zich erop dat ze heel even had gehoopt dat hun nieuwe bootvrienden het gezelschap van getinte neven en nichten niet hadden opgemerkt …

Maar al op hun eerste standplaats op Zuid Sumatra zorgde hun onbevangen houding tegenover de Indonesiërs en de Indo Europeanen voor pijnlijke botsingen met de rassenmuren en nam hun twijfel toe. Mijn vader werkte voor de Landraad voor de berechting van Indonesiërs. Zijn groeiende verontrusting over de verschillen tussen deze Landraden en de rechtbanken waarvoor de Europeanen moesten verschijnen, besprak hij met mijn moeder die ook juriste was. Hun ogen werden verder geopend toen mijn vader in 1936 hoogleraar werd aan de Rechtshogeschool van Batavia. Van dichtbij kregen ze zo te maken met Indonesische intellectuelen die sympathieën koesterden voor de onafhankelijkheidsbeweging - aangeduid met Nationalisten. Bij ons thuis ontvingen ze elke veertien dagen een tiental Indonesische studenten en mijn vader zei tegen mijn moeder: ‘De goede studenten zijn vrijwel allemaal Nationalist!’

Toen mijn ouders elkaar in 1942 voor drie en een half jaar uit het oog verloren, waren ze al een heel eind op weg om zich te scharen achter het Indonesische onafhankelijkheidsstreven. In de jaren daaraan voorafgaand waren de ontwikkelingen in de kolonie juist in een stroomversnelling geraakt. De Duitse inval in Nederland bracht verslagenheid en tegelijkertijd een verlangen naar eenheid, ook met ‘de anderen’, zelfs onder de meest verblinde kolonialen. Ook bij veel Indonesische nationalisten - voor zover ze vrij waren, velen zaten nog gevangen of waren verbannen - had het nu immers gedeelde vrijheidsverlangen sympathie gewekt en bereidheid tot samenwerking.

Mijn moeder werd lid van de ‘Hutspotclub’, een vrouwenclub die gemeenschappelijke maaltijden organiseerde om de rassenmuren neer te halen. In het bestuur waren de drie ‘rassen’ gelijkelijk vertegenwoordigd, Indonesiërs, Chinezen en Europeanen en tijdens de maaltijden moest men zoveel mogelijk ‘dooreengehutst’ plaatsnemen. Aanvankelijk vonden de Europese vrouwen het vanzelfsprekend dat de avonden geleid werden door een Hollandse, maar toen ‘van oosterse zijde’ gevraagd was dit bij toerbeurt te doen, gaf men daar tenslotte aan toe.

Commissie Visman
In 1941 werd mijn vader benoemd in de Commissie Visman bestaande uit drie Nederlanders, drie Indonesiërs en een Chinees die zich moest bezighouden met staatsrechtelijke hervormingen in de verre toekomst, wanneer het moederland in Europa zou zijn bevrijd. Het ging om niet meer dan een inventarisatie van de wensen die leefden bij de verschillende bevolkingsgroepen - van enige hervorming in de richting van onafhankelijkheid was geen sprake. Toch was er in Nederlands-Indische regeringskringen aan het instellen van die commissie strijd vooraf gegaan en was men vooral akkoord gegaan uit bezorgdheid dat anders de recente bereidheid tot samenwerking van de Indonesische nationalisten zou verdampen.
‘De Indonesische leden zijn handelbaar’, citeert hij in zijn memoires het eindrapport, ‘anders zouden zij niet in de commissie zijn benoemd. Het zijn stuk voor stuk bekwame mensen. Maar geen mensen die een scherp standpunt innemen. Dit hebben zij in de koloniale bureaucratie geleerd.’ Het uiteindelijke rapport inventariseert de wensen die leefden bij de verschillende bevolkingsgroepen over de toekomstige staatsinrichting van Indonesië. Alle wensen? Nee, de opvattingIndië los van Holland’ werd niet vermeld. Mijn vader schrijft daarover na de oorlog: ‘De criticus van 1946 denkt met schaamte aan een in 1941 geplaatste handtekening.’

De wezenlijke ommekeer in het denken van mijn ouders kwam, zo hebben zij altijd benadrukt, met hun eigen ervaringen met vernedering, racisme, onrecht en honger in de Japanse kampen. Zij wilden dat anderen niet aandoen. Daarnaast scherpten de kampen hun geest. Om te beginnen in de vele gesprekken die ze voerden met geestverwante medegevangenen die ook nadachten over de toekomst van de kolonie. En niet te vergeten door het lezen van de vele interessante boeken die door gevangenen het kamp mee ingenomen waren en onderling werden geruild. Onder zijn medegevangenen leerde mijn vader vooral veel van de socialisten Bernard van Tijn en Jaap de Haas, die beiden de Indonesische onafhankelijkheid aanhingen. De eerste had hij leren kennen als secretaris van de Commissie Visman en de tweede had als kinderarts belangrijk werk gedaan voor de gezondheidszorg in Indië.

Ook sprak hij met de toen nog linkse Jacques de Kadt, die ervan overtuigd was dat Indonesië na afloop van de oorlog onafhankelijk zou worden. Mijn vaders twijfel of Indonesiërs nu al in staat waren een staat te besturen, wuifde De Kadt zelfverzekerd weg: ‘Och, misschien zullen ze het niet zo goed doen, maar wat zou dat? In Zuid-Amerika zijn er heel wat republieken waar de zaken niet al te best gaan – maar het zijn toch onafhankelijke staten.’

Toen mijn ouders elkaar na al die jaren terugvonden, hoefden ze elkaar alleen nog maar te vertellen hoe ze tot de slotsom waren gekomen dat het Indonesische volk recht had op een vorm van onafhankelijkheid. Maar op 17 augustus 1945 leek dat nog erg ver weg, want toen zaten ze nog mijlenver van elkaar opgesloten.

Onze slaaphoek op de brits
Tekening in het kamp gemaakt door Marijke en Anne-Ruth Wertheim

Nu we weten dat ADEK naast de plek lag waar de onafhankelijkheid werd uitgeroepen, wordt het interessant na te gaan waar precies mijn moeder is gaan staan om te luisteren naar de stemmen die het kamp binnendrongen. Onze slaapzaal lag naast de ziekenzaal, een grote kale ruimte met matrassen op de grond, waar zij een paar keer was opgenomen toen zij ziek was. Daarnaast was een grasveld waar zieken die aan de beterende hand waren, op stoelen zaten en daar mocht je ze opzoeken. Stoelen had je verder nergens; je zat op de grond of op de brits waarop je sliep. Het grasveld grensde aan de omheining en wel uitgerekend daar waar die het dichtst de plek naderde waar het huis van Soekarno moet hebben gestaan, zoals mijn broer ontdekte! Voor de gedachte dat ze op dat grasveld heeft gestaan, pleit ook dat ze de stemmen 's avonds hoorde. In de tropen is het dan al vanaf zeven uur donker en omdat er nauwelijks verlichting was, zal ze naar alle waarschijnlijkheid zo dicht mogelijk bij onze zaal zijn gebleven.

Geen Japanse creatie
Blijft over de vraag welke stemmen er door de luidsprekers klonken. Daarvoor moeten we kijken naar hoe het nieuws van de Proclamatie zich verspreidde.

In De Groene Amsterdammer van 16 augustus 1995 schrijft Lambert Giebels:
Vandaag de dag is algemeen bekend dat de inderdaad wat operetteachtig aandoende onafhankelijkheidsproclamatie in Indonesië zelf een geweldige impact heeft gehad. Het bericht ervan werd door Indonesiërs, werkzaam bij het Japanse persbureau Domei, nog dezelfde dag in radio-uitzendingen over de hele Indische archipel verspreid en bracht op vele plaatsen juichende en feestende menigten op de been.

Er kan dus inderdaad feest zijn gevierd. Mijn moeder registreerde ‘telkens harde stemmen door de loudspeakers’. Waren dat stemmen die probeerden de feestvierders tot bedaren te brengen? De Japanners moesten de orde bewaren in die dagen vlak na de capitulatie. Dat zij probeerde te verstaan wat er gezegd werd, duidt erop dat ze de indruk had dat er Indonesisch gesproken werd en geen Japans, want dat kende ze niet. Maar in die situatie lijkt het niet aannemelijk dat het Indonesiërs waren die zelf het woord mochten voeren. Maar ook als het Indonesisch was, kunnen het Japanners zijn geweest want er waren Japanners die goed Indonesisch spraken. Dat gold niet voor de commandanten van ons kamp, die de bevelen die ze ons dagelijks toeschreeuwden in het Japans, door een tolk lieten vertalen.

Er is intussen veel bekend over de manier waarop de opstelling van de proclamatietekst en de voorlezing tot stand kwamen. Rondom de Japanse overgave op 15 augustus 1945 die voor menigeen onverwacht kwam, was er een chaotische situatie ontstaan. De geallieerden hadden de Japanners opgedragen de status quo te handhaven, zolang zij de Indonesische eilanden niet hadden bereikt. Voor zover de Japanse bezettingsmacht een onafhankelijk Indonesië verkoos boven een terugkeer van het Nederlandse gezag, mocht daar dus geen blijk van worden gegeven. En voor zover individuele Japanners de Indonesische vrijheidsstrijders steunden, moest dat in het verborgene gebeuren. Van Nederlandse zijde is altijd geprobeerd de invloed van de Japanners op de gang van zaken uit te vergroten om de illusie in stand te houden dat het Indonesische volk eigenlijk helemaal niet van de Nederlanders af wilde.

Inmiddels is wel komen vast te staan dat een Japanse marineofficier in de dagen voorafgaand aan de Proclamatie een bemiddelende rol heeft gespeeld en wel in twee opzichten. Enerzijds tussen de Indonesische vrijheidsstrijders en het afbrokkelende Japanse gezag dat nog wel in de positie verkeerde te kunnen dreigen met het geweld waarmee het jarenlang de hele bevolking van Indonesië had geterroriseerd. Anderzijds tussen groepen binnen de onafhankelijkheidsbeweging zelf die verschillende opvattingen hadden over de precieze inhoud van de proclamatie en wanneer die moest worden uitgesproken. Op een gegeven moment zijn Soekarno, zijn vrouw, hun pasgeboren zoontje en Hatta zelfs nog een dag en een nacht ontvoerd door jongeren die vonden dat hun oudere strijdmakkers te weinig haast maakten.

Half september 1945 besprak mijn vader de politieke situatie met een goede vriend:
Onder de Nederlanders heerst de vaste overtuiging dat de Indonesische republiek niets anders is dan een Japans maaksel om de geallieerden, en in het bijzonder ons Hollanders, dwars te zitten. Maar wij zijn er allebei van overtuigd dat de situatie veel gecompliceerder is. De Japanners waren vanaf 15 augustus, de dag van hun capitulatie, verplicht de status quo in stand te houden en tot aan de komst van geallieerde strijdkrachten de orde te handhaven, en hielden zich officieel daar ook aan. De Indonesische vrijwillige militie, de Peta, hadden zij al vlak na de capitulatie naar huis gestuurd, zonder wapens.
De republiek was door Soekarno en Hatta, op aandrang van een groep jonge nationalisten, al enkele dagen na de capitulatie geproclameerd juist om tegenover de geallieerden de schijn van Japanse machinaties te vermijden. Wel waren er enkele hooggeplaatste Japanse militairen geweest die uit sympathie voor het Indonesische onafhankelijkheidsstreven bij de proclamatie enige clandestiene steun hadden verleend - maar daarmee was de republiek nog geen Japanse creatie!

Antikoloniale graffiti

Met je pannetje langsgaan om eten te halen. Tekening in het kamp gemaakt door Marijke en Anne-Ruth Wertheim

Met je pannetje langsgaan om eten te halen.
Tekening in het kamp gemaakt door Marijke en Anne-Ruth Wertheim

Terwijl wij in ons kamp moesten blijven, was mijn vader al op 30 augustus 1945 samen met een vriend weggelopen uit hun kamp bij Bandoeng en met de trein naar Batavia gereisd. Later vertelde hij altijd glunderend dat zoiets in zulke warrige tijden helemaal niet moeilijk is, ze waren gewoon de Poort uitgelopen en de Japanners hadden het nakijken gehad. Samen hadden ze toen in allerijl het Bataviase Rode Kruis opgericht en waren keihard aan het werk gegaan. Natuurlijk had hij ook meteen achterhaald in welk kamp wij zaten, via briefjes en telefoongesprekken met de kampleiding contact met ons opgenomen en vergeefs geprobeerd ADEK binnen te komen.

In de hoop dat hij het opnieuw zou proberen, stond ik op de middag van 9 september 1945 buiten de Poort - maar nog binnen het gezichtsveld van de bewakers - te kijken naar het opvouwen van een reusachtige parachute. Daarmee was een voedselpakket gedropt op het veld waar wij altijd op appèl hadden gestaan. En opeens zag ik hem aankomen op een gammele fiets, je hoorde de trappers kraken. Hij had een korte broek aan, wat je nu een T-shirt zou noemen en slippers aan zijn blote voeten en we herkenden elkaar meteen. We stonden nog maar even te praten, toen hij al wilde dat ik mijn moeder en Marijke en Hugo ging halen … en daarna hebben we daar voor die Poort nog een hele tijd staan praten.

Al gauw mocht hij wel binnenkomen en mochten wij zelfs om de beurt een weekend bij hem logeren in het huis van de Chinese vrienden waar hij gastvrij onderdak had gekregen in hun garage. Tegen die tijd was de Poort uitlopen en rondkijken in de vrije wereld al gewoon geworden. Een keer gingen we zelfs met onze moeder op zoek naar onze vroegere chauffeur Kawi in de nabij gelegen kampong. In zijn huis van gevlochten bamboe waren wij al eens geweest toen zijn dochter trouwde. Het prachtig versierde bruidspaar zat op een laag bamboebed en Marijke en ik mochten hen met waaiers koelte toewuiven. Maar deze keer was Kawi niet thuis en gaven de mensen die daar waren ons het gevoel dat we beter weg konden gaan - voor ons een eerste teken dat Indonesiërs het contact met Nederlanders vermeden.

Niet lang daarna vond mijn vader voor ons gezin een tijdelijke woning aan de Javaweg. Ons eigen huis was tot en met de elektriciteitsdraden leeg geroofd. Er was intussen ook contact gelegd met onze familie in Holland, die natuurlijk ontzettend blij was dat wij de oorlog hadden overleefd.

Over zijn eerste indrukken in Batavia schrijft mijn vader:

Het stadsbeeld van Batavia was in de drie en een halfjaar dat ik opgesloten was geweest nogal veranderd. Maar in de eerste weken van september waren het meest opvallend de antikoloniale opschriften, aangebracht op muren en trams, meestal in het Engels. Zij waren duidelijk bedoeld om, wanneer geallieerde troepen zouden landen, deze duidelijk te maken dat herstel van de koloniale verhouding door het Indonesische volk niet gewenst werd.

Soetan Sjahrir

Soetan Sjahrir

Soetan Sjahrir
Door de Indonesiërs was er dus gefeest nadat het nieuws van de Proclamatie bekend was geworden. Maar hoe werd er in Nederland op gereageerd? Een hele maand later, op 17 september 1945, stond er in het Algemeen Handelsblad een artikel getiteld Chaotische toestand op Java, waarin een correspondent van United Press aan het woord kwam:

De politieke situatie is zeer verward. Nadat de leider der nationalisten Soekarno op 17 Aug. j.l. de ‘Indonesische Republiek’ heeft uitgeroepen. Hoewel Soekarno toen ik hem interviewde, categorisch ontkende dat de Japansche autoriteiten op Java zijn coup d'état hadden gesteund, zijn er sterke aanwijzingen dat er iets achter de schermen is gebeurd, daar de Japanners na hun capitulatie op Java om tegenover de inheemsche bevolking hun figuur te redden, haar met ingang van 7 September onafhankelijkheid beloofden. Verderop in het artikel is nog sprake van de zogenaamde nationalisten met Soekarno als leider en ‘president van de republiek’ en een zekere Matta Hatta als vice-president.

De aanhalingstekens, de hele toon van het stuk en de verhaspeling van de naam van Mohammed Hatta zijn tekenend voor de houding van de meeste Nederlanders op dat moment. Een vergelijkbare houding ontmoette mijn vader bij de Nederlandse regeringsfunctionarissen die al gauw uit Holland begonnen binnen te druppelen. In de maanden die volgden, probeerde hij in zijn functie van secretaris van het Rode Kruis herhaaldelijk een bemiddelende rol te spelen tussen hen en zijn contacten onder de nationalistische intellectuelen. Aanvankelijk gebeurde dat gewoon in het Rode Kruisgebouw. Maar in november waren de contacten tussen Nederlanders en Indonesiërs een stuk moeizamer geworden. Jonge extremisten, maar ook dievenbenden die niks met de onafhankelijkheidsstrijd te maken hadden, waren moorden gaan plegen op Nederlanders, onder wie ook een paar dierbare vrienden van onze ouders. Besloten werd daarom om de voorkamer van ons huis aan de Javaweg in te richten als Rode Kruiskantoor.

Bij de Nederlanders stond de vraag centraal in hoeverre vooraanstaande Nationalisten die bezig waren hun Indonesische Republiek vorm te geven, hadden samengewerkt met de Japanners. Naast Soekarno die dat inderdaad had gedaan en Hatta voor wie dat in mindere mate gold, was er een derde Nationalist van wie bekend was dat hij zich daar verre van had gehouden: Soetan Sjahrir. Hij was niet aanwezig geweest bij het uitspreken van de proclamatie, maar had op de achtergrond wel een rol gespeeld. Ook hij had een universitaire studie gevolgd (Rechten in Amsterdam en Leiden van 1929-1931), had belangrijke teksten geschreven over het onafhankelijkheidsstreven en was tot 1941 jarenlang gevangen gezet en verbannen. Nu was hij door zijn medestrijders aangezocht premier te worden van het eerste kabinet van de nieuwe Republiek.

De non-conformistische intellectueel Sjahrir had een grote aanhang onder jongeren. Hij was een linkse socialist en antifascist die altijd had geweigerd om met de Japanners samen te werken en daardoor was hij voor de Nederlandse autoriteiten de enige aanvaardbare gesprekspartner aan nationalistische kant. Toen hij in Nederland studeerde, was hij bevriend geraakt met socialisten als Jef Last, Sal Tas en Jacques de Kadt, die niets moesten hebben van de sociaaldemocratische SDAP die bevolkt werd door ‘champagne drinkende hypocrieten’. Hij kreeg een relatie met Maria, de vrouw van Tas, en zij volgde hem in 1932 naar Indië waar de geliefden een islamitisch huwelijk sloten. Hand in hand liepen ze door Medan op Sumatra, allebei in traditionele kleding. Dat was meer dan de blanke Nederlanders aan konden en Maria werd na vijf weken op de boot naar Nederland gezet. Het stel zou elkaar pas na de Tweede Wereldoorlog weer zien.

Sjahrir werd kort daarop vanwege zijn nationalistische redevoeringen zonder vorm van proces geïnterneerd in het beruchte strafkamp Boven-Digoel op Nieuw-Guinea en daarna jarenlang verbannen naar de afgelegen Banda-eilanden, van waaruit hij lange, literaire brieven schreef aan Maria. Al op 21 februari 1936 getuigde hij daarin van zijn vooruitziende blik:

Van één ding ben ik zeker: dat deze koloniale regering en, meer nog, de koloniserende Nederlanders er eens spijt van zullen hebben dat ze nooit een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment aan bewuste, culturele politiek voor de Indonesische bevolking hebben gedacht! Ik voor mij ben ervan overtuigd dat deze kortzichtigheid, deze befaamde Hollandse ‘degelijkheid’ en het gemis aan verbeelding en durf zich van nu af aan zullen gaan wreken. […] Tenslotte zullen ze natuurlijk die richting toch op moeten, maar dan zal het ook wel te laat zijn. Als banneling kan ik alleen maar zeggen: we zullen zien.’

Sjahrir was ook kritisch over de onafhankelijkheidsbeweging zelf. De pure nationalisten hadden volgens hem een gebrek aan ‘open-mindness en ze moeten zich bevrijden van achterdocht, haat en hun minderwaardigheidscomplex’. Pas dan kon er gelijkwaardigheid ontstaan. Al snel zag hij de opkomst van het fascisme als de grootste bedreiging van de wereldvrede.
In 1938 stelde hij in een open brief vanuit zijn verbanningsoord dat ‘op het moment dat de oorlog in de Pacific komt, de volksbeweging zal moeten samenwerken om het land te verdedigen’. Om dit te bereiken moest de Nederlandse autoriteit een deel van de macht overdragen aan de volksbeweging. Ze moest de beweging als een gelijkwaardige bondgenoot beschouwen.


Onverschilligheid van de Nederlandse gezagsdragers
Enkele dagen voor 25 november 1945 had mijn vader een bespreking met de persoonlijke afgezant van de Nederlandse Minister van Overzeesche Gebiedsdelen, waarin hij ervoor pleitte contact te leggen met Soetan Sjahrir:

Ik zet uiteen dat met het enkele dagen geleden aan het bewind komen van het kabinet Sjahrir een unieke gelegenheid is geschapen voor onderhandelingen, en dat Nederland deze kans met beide handen moet aangrijpen. [...] ik betoog waarom erkenning de facto van de Republiek mijns inziens politiek onvermijdelijk is. Ik dring [...] er op aan, dat men Sjahrir, nog vóór zijn kabinet aanstaande zondag (25 november) met het republikeins vertegenwoordigend lichaam wordt geconfronteerd vèrgaande tegemoetkomingen op politiek gebied in het vooruitzicht zal stellen, teneinde zijn positie tegenover terroristen en extremisten te versterken. Dit zal niet makkelijk vallen, daar in deze novembermaand persoonlijke contacten tussen Nederlanders en Indonesiërs vrijwel onmogelijk zijn geworden.



Mijn vader krijgt de opdracht te proberen contact op te nemen met Sjahrir om hem een aantal vragen voor te leggen:

Het gelukt mij het verzoek om een bespreking aan Sjahrir door te geven. Op zaterdag 24 november word ik opgebeld door mijn vrouw: ik moet onmiddellijk thuiskomen. Ik begrijp direct wat er aan de hand is. Het is het warmste uur van de dag, de straten zijn uitgestorven. Nauwelijks ben ik thuis, of een auto komt het erf oprijden en rijdt direct door de tuin dóór tot opzij van het huis. Sjahrir blijkt zelf aan het stuur te zitten. Wij lopen door naar mijn werkkamer. De staatsman, nu premier, blijkt in wat ik hem vertel hogelijk geïnteresseerd. Hij kan uiteraard op geen van de vragen definitief antwoorden zonder zijn kabinet te raadplegen. Maar zijn reactie is niet bij voorbaat negatief, en hij wijst de mogelijkheid van onderhandelingen niet a priori af.


Het gesprek, dat meer dan een uur duurt, komt op de terreur, waarmee ik door mijn Rode Kruiswerk in nauwe aanraking kom. Sjahrir toont zich ontsteld door wat ik hem vertel - had van de omvang van het verschijnsel geen idee [...].
[...] Mijn contact met Sjahrir was, vooral voor hem, niet ongevaarlijk. Nog op 21 november was een aanslag gepleegd op mr. Moh. Roem, een gewezen student van mij en medewerker van Sjahrir, misschien door extremistische elementen die tegen onderhandelingen met de Nederlanders waren; Roem was toen ternauwernood aan de dood ontsnapt. 



Aan dit bezoek van Sjahrir bewaren mijn zus, broer en ik nog levendige herinneringen. We waren achter het huis aan het spelen, toen onze moeder geagiteerd naar buiten kwam en ons toefluisterde dat we doodstil moesten zijn. Er zou een Indonesiër op bezoek komen en omdat niemand dat mocht weten, zou hij zijn auto in de achtertuin parkeren. Het had de afgelopen dagen nogal geregend en de aarde was zo vochtig dat we er een groot modderkasteel van hadden kunnen bouwen. We lieten steentjes die ridders voorstelden heen en weer rennen en schreeuwden daar lekker hard bij.
Veel koloniale huizen hebben aan de achterkant een galerij die de achtertuin aan één kant afsluit. Daaraan liggen kamers om voorraden te bewaren en bedienden te laten slapen. Aan de andere kant loopt dan een oprijlaan, in ons geval rechts. Aan de achterkant is de tuin afgeschermd met een hoge muur.


Beduusd zaten we op de stoep van de galerij en vroegen ons af of ons kasteel gespaard zou blijven. We hadden in al die oorlogsjaren wel geleerd onze eigen belangetjes ondergeschikt te maken aan de gevaren om ons heen, maar toch. Een zwarte auto kwam met grote vaart de oprijlaan inrijden, maakte een scherpe bocht naar links de achtertuin in en ... stopte vlak voor ons kasteel. Er stapte een Indonesische meneer uit die snel mee naar binnen werd genomen. We lachten zachtjes naar elkaar en wachtten tot hij weer vertrokken was.

Mijn vader vervolgt:
 De volgende ochtend vroeg klim ik op de fiets en rijd naar het paleis, om [...] verslag uit te brengen. [...] In twee woorden moet ik de inhoud van een gesprek van een uur weergeven. Enigszins uit het veld geslagen voldoe ik aan het verzoek maar veel geloof in mijn zending heb ik niet meer.

Na nog wat blijken van ongeïnteresseerdheid van de kant van de Nederlandse gezagsdragers, stelt mijn vader teleurgesteld vast dat zij zijn medewerking bij het uitvoeren van hun politiek kennelijk niet meer nodig hebben: Zo eindigde mijn eerste en laatste politieke missie.
Begin 1946 keren wij terug naar Nederland.

Het contact tussen Sjahrir en de Nederlandse autoriteiten is echter gelegd. Moeizame gesprekken en onderhandelingen volgen. Op 18 maart 1946 verzucht mijn vader in zijn brochure ‘Nederland op den Tweesprong’: ‘En zoo maakt de regering het Sjahrir telkens weer haast onmogelijk om zijn oppositie duidelijk te maken dat het toch zin heeft met de Hollanders te onderhandelen. Is men in bepaalde kringen nog steeds huiverig voor den socialist Sjahrir? Beseft men dan nog steeds niet, dat als Sjahrir wegvalt, er niets in de Indonesische maatschappij overblijft, waarmee men als Hollander zaken kan doen?’

Uiteindelijk leidden de gesprekken op 15 november 1946 tot de overeenkomst van Linggadjati, waarbij Nederland beloofde het gezag van de republiek over Java, Madoera en Sumatra te erkennen, waarbij de republiek onderdeel zou worden van de Verenigde Staten van Indonesië, die onderdeel zouden worden van de Nederlands-Indonesische Unie, onder leiding van de Nederlandse koning. Het compromis was vanaf het begin aan beide zijden omstreden en op 20 juli 1947 zegde Nederland het verdrag op. Een dag later startte de zogenaamde eerste politionele actie, waarmee de afscheiding van Indonesië daadwerkelijk ontaardde in een koloniale oorlog.

Proklamasi Park
Terug in Nederland zetten onze ouders hun strijd voor erkenning van de Indonesische Republiek voort. Ze bleven hopen op een vorm van samenwerking tussen de twee staten, die zowel in het voordeel zou zijn van de Indonesiërs als van de Nederlanders. Dat bracht ze op niet mis te verstane wijze in botsing met die Nederlandse gezagsdragers die blind bleven voor het gerechtvaardigde verlangen naar onafhankelijkheid en zich halsstarrig vastklampten aan hun luchtkasteel van een koloniaal Nederlands Indië.
Wij kinderen waren er getuige van hoe zij wanhopig moesten aanzien hoe Nederland stap voor stap alle kansen verspeelde op een waardig afscheid van de kolonie en een vreedzame overgang naar een gelijkwaardig partnerschap. En hoe uiteindelijk de meest verblinden onder de gezagsdragers twee ellendige, koloniale oorlogen ontketenden.

Wim en Hetty Wertheim 1987
foto Anne-Ruth Wertheim

Tussen 1946 en 1998 is geen van ons kinderen terug geweest naar ons geboorteland. De enige keer dat onze ouders zijn terug geweest was toen mijn vader in 1956/57 in Bogor een gasthoogleraarschap had aan de Agrarische Universiteit. Maar voor zover wij weten, zijn zij toen nooit gaan kijken naar de plaats waar de Proclamatie was uitgesproken en hebben dus ook niet uitgevonden hoe dicht bij ADEK het huis lag waar Soekarno na zijn jarenlange verbanning was komen te wonen. In die tijd was het monument met Soekarno en Hatta staand voor de zeventien zuilen (vanwege de 17e augustus) nog niet opgericht. Ook was Soekarno's huis nog niet vervangen door het grote witte gebouw dat nu een tentoonstelling herbergt over de Proclamatie.

Dat niemand van ons voor 1998 is terug geweest, had alles te maken met de bloedige coup van 1965, toen generaal Soeharto en zijn trawanten een wrede dictatuur vestigden die Indonesië meer dan dertig jaar in zijn greep hield - onder meer door duizenden mensen (onder wie veel intellectuelen en schrijvers) die verdacht werden van communistische sympathieën, jarenlang gevangen te houden op het onherbergzame eiland Boeroe. Ze zaten daar zonder vorm van proces en zonder dat zij wisten hoe lang hun gevangenschap zou duren. Opnieuw bedienden gezagsdragers zich van het beproefde middel om mensen van wie ze last hebben op te bergen. Dit keer ging het om een Indonesisch regime en het is wrang te bedenken dat de achtereenvolgende Nederlandse regeringen tussen 1965 en 1998 er niet de geringste moeite mee hadden samen te werken met dit dictatoriale Indonesische regime en er zelfs wapens aan te leveren. Al die tijd overigens nog steeds zonder de datum 17 augustus 1945 te erkennen en in plaats daarvan verbeten vast te houden aan de datum van de soevereiniteitsoverdracht, 27 december 1949.

Toen in 1998 generaal Soeharto door studenten gedwongen werd af te treden, was onze vader al te zwak om de reis nog aan te kunnen - hij stierf eind 1998 op bijna 91 jarige leeftijd. Onze moeder was in 1988 gestorven. Vanaf 2002 keerden wij kinderen in wisselende combinaties met onze kinderen en kleinkinderen terug en dat zullen we blijven doen. Maar vanaf nu zullen we altijd het Proklamasi Park aandoen en met verwondering terugdenken aan wat zich hier allemaal heeft afgespeeld.

Het Proclamatie Monument foto door Bregje Wertheim in 2016

Het Proclamatie Monument
foto door Bregje Wertheim in 2016

Gebruikte literatuur:

- Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink: Vier wendingen in ons bestaan, Indië verloren, Indonesië geboren (1991)
- Soekarno: Indonesië klaagt aan! Pleitrede voor den Landraad te Bandoeng op 2 december 1930 (1931)
- W.F. Wertheim: Nederland op den Tweesprong: Tragedie van den aan traditie gebonden mensch (1946)
- W.F. Wertheim: Indonesië, van vorstenrijk tot neo-kolonie (1978)
- Sutan Sjahrir: Indonesische Overpeinzingen, Amsterdam (1966)
- Rudolf Mrázek: Sjahrir: Politics and Exile in Indonesia (1994)
- Anne-Ruth Wertheim: De Gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java (1994)

Geplaatst in Nieuws, Racisme/ Identiteit.