‘NRC-interview: Joods meisje in Jappenkamp’

In de Tweede Wereldoorlog werden de Joden in Nederlands-Indië in aparte kampen geïnterneerd door de Japanners. Anne-Ruth Wertheim behoorde er als kind tot een bijzondere minderheid.

Bart Funnekotter NRC-Handelsblad, 15 augustus 2013
Foto van Anne-Ruth Wertheim: Merlijn Doomernik

Anne-Ruth Wertheim: „Veel Indischgasten vinden dat 15 augustus er vergeleken met 4 en 5 mei bekaaid vanaf komt. Dat ben ik met ze eens.

Het Ganzenbord

SVP redden in geval van brand! Het staat met grote zwarte letters op de kartonnen doos die op de vloer ligt van de woonkamer van Anne-Ruth Wertheim. Ze doet het deksel open. De doos zit vol met herinneringen aan Wertheims jeugd in Nederlands-Indië en haar verblijf in het jappenkamp, waaronder een ganzenbordspel dat haar moeder in het kamp maakte. „Ik vind het zo slecht van mezelf dat ik die spullen thuis heb gehouden. Stel je voor dat er iets mee gebeurt. Volgend jaar gaan ze naar het Joods Historisch Museum. Daar zijn ze tenminste veilig.”

Anne-Ruth Wertheim (Batavia 1934) behoort tot een bijzondere minderheid. Haar vader was Joods, een van de ongeveer 3.000 Joden in Nederlands-Indië. Vanaf eind 1944 zat ze samen met haar moeder, broertje en zus in het kamp Tangerang, waar de Japanners Joodse vrouwen en kinderen hadden verzameld. Later verhuisden ze naar kamp Adek, waar ze de bevrijding meemaakten. Het gezin Wertheim overleefde de oorlog, inclusief Anne-Ruths vader, die als hoogleraar aan de universiteit van Batavia in de prominentenbarak van een ander jappenkamp had gezeten. Zijn familie in Europa werd bijna geheel uitgemoord.

Vandaag, 15 augustus, wordt de capitulatie van Japan herdacht. „Een belangrijke dag”, vindt Wertheim. En eentje waaraan meer aandacht zou mogen worden besteed. „Veel Indischgasten vinden dat 15 augustus er vergeleken met 4 en 5 mei bekaaid vanaf komt. Dat ben ik met ze eens.”
En dus wil Wertheim graag vertellen over haar oorlog in Nederlands-Indië. Dat deed ze op scholen, in een boekje dat ze eind jaren 90 uitbracht en eerder dit jaar in een meerdaagse interviewsessie met een journalist van een Japanse krant, de Asahi Shimbun, een van de grootste van het land. Dat laatste was heel belangrijk voor haar. „Miljoenen Japanners hebben kunnen lezen dat de Joden in de oorlog door hen apart zijn gezet, anders behandeld dan andere mensen.”

Toen op 7 december 1941 de Tweede Wereldoorlog oversloeg naar Azië, wist Anne-Ruth Wertheim niet dat ze half-Joods was. Haar ouders hadden nooit gesproken over de afkomst van haar vader. Hij deed helemaal niets met het geloof, net zomin als zijn ouders. Die waren zelfs remonstrants geworden, om zo goed mogelijk te assimileren. Twee keer in hun leven

Anne-Ruth Wertheim

hadden ze moeten vluchten: in 1917 uit Rusland omdat ze bourgeois waren en in 1933 uit Duitsland vanwege hun Joodse komaf. Een derde keer vluchten konden ze niet opbrengen, zegt Wertheim. „Ze pleegden zelfmoord op 15 mei 1940, de dag dat Nederland capituleerde voor de nazi’s.”

Het duurde meer dan een maand voordat dit nieuws Nederlands-Indië bereikte. De vijfjarige Anne-Ruth hoorde over de dood van haar opa en oma toen ze haar vader met behuild gezicht aan de telefoon betrapte. Er volgde een leugen om bestwil. „Mijn ouders zeiden dat ze overleden waren aan een ziekte.” De oorlog was op dit moment voor Wertheim niet meer dan een rijmpje op het schoolplein. „Bij tikkertje zeiden we: Pief paf poef, Hitler is een boef, Göring is een zwijn, jij moet hem zijn.”

Maar Nederlands-Indië bleef de oorlog niet bespaard. Direct na de aanval op Pearl Harbor werden Wertheim en haar broertje en zus naar een theeplantage in de bergen buiten Batavia gestuurd. „Als daar het alarm ging – dat was een holle boom waarop geslagen werd – moesten we de schuilkelders in. Die waren uitgegraven in de heuvels. Binnen rook het er heerlijk naar natte aarde.”

Tekeningen uit het Gansboek

De Nederlandse strijdkrachten op de archipel gaven zich op 8 maart 1942 over. De Japanners gooiden Wertheims vader als prominent lid van de Nederlandse gemeenschap onmiddellijk in een kamp. Zelf bleef ze met haar moeder en zus en broertje nog een jaar op vrije voeten, waarna ook zij achter prikkeldraad verdwenen. „We kwamen terecht in een afgezette woonwijk, in een huis waar we een kamer deelden met nog een gezin. Het was er onvoorstelbaar smerig. Er was één wc voor honderd mensen en het stikte er van het ongedierte.”

Wertheims moeder had papier en potlood meegenomen en probeerde haar kinderen in deze moeilijke omstandigheden toch iets van onderwijs te geven. „Ze deed er alles aan om ons de indruk te geven dat het allemaal wel meeviel, om ons maar niet bang te maken. Zelfs als iemand in het kamp een vreselijke lijfstraf had gekregen, zei ze dat die persoon er met wat water en rust wel weer bovenop zou komen. Het was allemaal niet zo erg als het leek.”

Op 4 september 1944 kondigde de commandant aan dat alle Joden in het kamp zich moesten melden, zegt Wertheim. Ze werden naar een ander kamp gestuurd; het gevolg van een antisemitische campagne die het jaar ervoor was begonnen, mede op instigatie van Duitse bezoekers aan Nederlands-Indië. Wertheim weet niet zeker of ze toen pas van haar moeder hoorde dat ze half-Joods was, of dat ze dat al eerder had vernomen. „Mijn moeder stond voor een moeilijke keuze. Ze was zelf niet Joods. Moest ze de afkomst van haar man stilhouden en kijken of we ermee wegkwamen, of niet? Uiteindelijk koos ze ervoor om te liegen dat ze zelf ook Joods was. Zo wist ze tenminste zeker dat ze bij haar kinderen zou blijven.”
De rit naar het station van Batavia in december 1944 kan Wertheim zich nog goed herinneren. Haar moeder zat voorin de vrachtauto: ze had tyfus en wondroos. De kinderen reden in de laadbak. „Heerlijk, onze haren in de wind.”

Met de trein ging het daarna naar Tangerang, waar de Joden werden samengebracht. Het kamp werd verder mede bewoond door vrijmetselaars. „De omstandigheden waren er veel slechter dan in het eerste kamp. We hadden minder leefruimte in onze barakken en

Tekeningen uit het Gansboek

kregen nog minder te eten.”
De meeste Joden in het kamp besteedden, net zoals de Wertheims, weinig aandacht aan hun geloof. „Alleen de zogenoemde Bagdad-Joden, die uit het huidige Irak kwamen, waren orthodox. Maar ook zij hadden het te druk met overleven om veel aandacht aan religie te besteden.”

In maart 1945 werden de Wertheims met alle bewoners van Tangerang overgeplaatst naar een ander kamp, Adek, waar ze het einde van de oorlog meemaakten. Van vader Willem Wertheim hadden ze in drieënhalf jaar tijd één kaart ontvangen. Ze hadden geen idee of hij nog leefde. Maar dat was wel het geval. Nadat Wertheim was vrijgelaten, had hij in Batavia de leiding van het Rode Kruis op zich genomen. Daar wist hij de verblijfplaats van zijn vrouw en kinderen te achterhalen.
Wertheim: „Ik was buiten de poort van het kamp aan het spelen toen hij aan kwam fietsen. Hij herkende me meteen en ik hem ook. Het was heerlijk om weer met hem te kunnen praten. Ik weet nog dat ik het jammer vond dat ik hem al snel naar mijn moeder moest brengen. Ik had hem zo lekker voor mezelf alleen.”

Het tekeningenboekje

De Wertheims vertrokken begin 1946 naar Nederland. Haar ouders waren tijdens hun verblijf in het kamp heel anders over Nederlands-Indië gaan denken, zegt Wertheim. „Ze waren hartstikke rechts toen ze uit Nederland aankwamen. Afgezien van de kinderen van de Indonesische elite die mijn vader op de universiteit tegenkwam, vonden ze de lokale bevolking dom, lui en kinderlijk. Na de oorlog waren ze er van overtuigd dat Nederlands-Indië onafhankelijk moest worden.”

Anne-Ruth Wertheim heeft sinds de oorlog – ze was onder meer werkzaam in het onderwijs – gestreden tegen het uitsluiten van bepaalde groepen mensen. Dat zij als Joods kampslachtoffer de aandacht opeist, is haar door andere ‘Indischgasten’ niet altijd in dank afgenomen. „Bij sommigen leeft het gevoel dat de Joden al de Holocaust hebben, waarvoor ze veel aandacht krijgen. En dan kom ik ook nog met een Joodse variant op ‘hun’ Indische verhaal.”

Wertheim benadrukt dat wat haar overkomen is, niet te vergelijken valt met wat de Joden in Europa meemaakten. „Maar als mensen zeggen dat wij ‘alleen maar’ apart zijn gezet, dan antwoord ik dat dit een eerste stap kan zijn in een proces dat tot erger had kunnen leiden. Elke vervolging begint klein. Ik heb geprobeerd in mijn leven mensen iets te laten zien van de mechanismen die kunnen leiden tot zoiets verschrikkelijks als de Holocaust.”

Wertheim heeft een uitgesproken mening over de huidige Nederlandse politiek. Over de voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk spreekt ze harde woorden. En tegen Geert Wilders schreef ze een stuk in de Volkskrant – onder de kop ‘Wilders’ dodelijke woorden’ – dat later onderdeel uitmaakte van het proces tegen de PVV-leider. „Wat er nu met de moslims gebeurt – de manier waarop die buiten de maatschappij worden geplaatst – daarover maak ik me grote zorgen. Maar ik heb ook hoop. Ik vertrouw op de rede. Als je mensen maar uitlegt hoe uitsluiting uiteindelijk kan leiden tot geweld, dan denk ik dat ze dat begrijpen.”

Omdat ze haar verleden zo actief gebruikt om het heden te verbeteren, heeft Wertheim nauwelijks last van een kamptrauma, zegt ze. Maar aan kleine dingen merkt ze wel dat ze een bijzondere geschiedenis met zich meedraagt. „Als ik bij een tramhalte sta en ik weet niet wanneer de tram komt, dan denk ik dat ik dat erger vind dan de gemiddelde mens. Dat komt omdat het me herinnert aan een soort van willekeurig gezag, dat maar uitmaakt hoe laat die tram komt. Als ik de kans krijg om naar een halte te lopen met een digitaal bord dat de tijd aftelt tot de tram arriveert, doe ik dat. Dan heb ik minder het gevoel dat ik ben overgeleverd aan de grillen van een macht buiten mij.”

Anne-Ruth Wertheim: „Veel Indischgasten vinden dat 15 augustus er vergeleken met 4 en 5 mei bekaaid vanaf komt. Dat ben ik met ze eens.

Geplaatst in Interviews.